#Onderwijsvraag 4: Waarom 10-minutengesprekken?
We verkennen de leersystemen van morgen en bevragen het onderwijssysteem van vandaag.
operation education, education, onderwijs, onderwijsvragen, waarom, waartoe, vragend veranderen, Claire Boonstra
2622
post-template-default,single,single-post,postid-2622,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,columns-4,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-10.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.2.1,vc_responsive

#Onderwijsvraag 4: Waarom 10-minutengesprekken?

Elke twee weken onderzoeken we op BNR, samen met de luisteraars en onze community, een #Onderwijsvraag. Deze week bespraken we de vraag ‘Waarom 10-minutengesprekken?’ Je kunt de uitzending terugluisteren via de podcast, hieronder vind je een eerste verkenning van de historie, de voordelen, nadelen en alternatieven.

Waarom zijn er 10-minutengesprekken?

Vrijwel iedereen heeft er mee te maken (gehad): de 10-minutengesprekken tussen ouder(s) en leerkracht. Op het internet vind je veel artikelen met tips hoe je het maximale uit het 10-minutengesprek kunt halen – dus het verschijnsel laat ons niet koud. Maar hoe is het eigenlijk zo gekomen? Wat zijn de voordelen en de nadelen? Er is veel wetenschappelijk onderzoek dat aantoont dat een grote ouderbetrokkenheid goed is voor de leerling – maar hoe verhoudt zich dat tot de huidige opzet? Zijn er alternatieven?

Historie: efficiënte manier om ouderbetrokkenheid te organiseren

Het is moeilijk te achterhalen waar en wanneer de 10-minutengesprekken of tafeltjesavonden zijn ontstaan. In de wetenschappelijke literatuur is er niets over te vinden, zegt Jacques Dane van het Nationaal Onderwijs Museum in Dordrecht. We weten niet beter dan dat ze bestaan. In elk geval was er een tijd – tot pakweg de zeventiger jaren – dat leerkrachten het gewoon en belangrijk vonden om de ouders van zoveel mogelijk leerlingen thuis  te bezoeken of in elk geval alle ouders na schooltijd te ontvangen.

Maar sinds de wet op het basisonderwijs (1985), die enerzijds voor de samenvoeging van het kleuteronderwijs en  de lagere school zorgde en anderzijds de grootschaligheid in het voortgezet onderwijs teweegbracht, deed de effectieve school haar intrede waarbij de nadruk lag op de beheersing van organisatieprocessen en gestreefd werd naar een zo groot mogelijke kwaliteit aan zoveel mogelijk leerlingen. Leerlingen en hun ouders werden steeds meer gezien als `producten’ waarmee op een efficiënte manier contact moest worden onderhouden. Ook het bijpraten van ouders over de vorderingen van hun kinderen moest efficiënter: meer ouders in minder tijd.

Gesprekken op school kosten veel minder tijd dan wanneer leerkrachten van huis tot huis zouden gaan. Het was wellicht ook de vraag of de ouders het vanuit sociaal maatschappelijk perspectief gezien nog altijd wenselijk vonden om de leerkracht thuis te ontvangen. Daarbij stond de autonomie van de school en van de docent lange tijd niet of nauwelijks ter discussie. Een docent was gezaghebbend en wat hij deed was goed voor de leerling. Maar die positie veranderde door de maatschappelijke beweging waarin autoriteit niet meer vanzelfsprekend was. Als tegenbeweging op de meegaandheid van ouders, heeft het onderwijs te maken gekregen met veel zogenaamde over-assertieve ouders, die zeer kritisch op de school kunnen zijn, maar soms nauwelijks kritisch naar hun kind of hun eigen handelen kijken. Het zou zo kunnen zijn dat scholen ook om deze reden de ouders wellicht liever binnen in het schoolgebouw wilden ontvangen.

Nog steeds draaien de 10-minuten avonden vaak op het schema uit 1980

Wat zijn de voordelen?

Zoals gezegd is er weinig literatuur te vinden over de 10-minutengesprekken. Wel is er veel geschreven over de wijze waarop je als ouder of docent een effectief 10-minutengesprek kunt voeren. Zo zijn er tientallen websites met tips te vinden. Dit geeft aan dat zowel bij de docent en nog meer bij de ouder behoefte bestaat om zoveel mogelijk uit die tien minuten te halen. Tips voor docenten zijn er vaak op gericht hoe om te gaan met een mondige ouder, die vooral in de grote steden voor extra werkstress zorgen. Doorgaans worden de voordelen van het 10-minutengesprek als volgt ervaren:

  • Er is tenminste twee, soms wel drie keer per jaar een mogelijkheid om direct contact met ouders te hebben en daardoor achtergronden van kinderen te leren kennen;
  • Leerkrachten kunnen direct via de ouders informatie sturen en ontvangen over de ontwikkeling van leerlingen;
  • Je kunt een avond met 10-minutengesprekken relatief makkelijk centraal inroosteren, ook al zal niet elke leerkracht blij zijn met deze in de praktijk toch vaak omslachtige taak. Tevens kun je makkelijk controleren welke ouders wel of niet van de ‘tafeltjesavond’ gebruik maken.
  • De taakbelasting is voor docenten, anders dan bij huisbezoeken, te kwantificeren en beheersbaar te houden.
  • Als de 10-minutengesprekken goed georganiseerd worden en gecombineerd worden met andere manieren van contact tussen school en ouders, kan het de binding van de ouders met de school vergroten.

Uit dit overzicht van voordelen zou je kunnen concluderen dat vooral vanuit organisatorisch perspectief het 10-minutengesprek een heel goed middel is om ouderbetrokkenheid te stimuleren. De voordelen zeggen echter weinig over het werkelijke doel van de gesprekken, wat gericht zou moeten zijn op het positief beïnvloeden van de leerprestaties van het kind.

Nadelen: weinig ruimte voor het bouwen van een waardevolle relatie tussen leerkracht-ouder-leerling

De vraag is of 10-minutengesprekken echt een goed instrument zijn om de pedagogische betrokkenheid bij het kind goed tot uitdrukking te laten komen. Vindt het gesprek plaats tussen alleen de ouder en de docent dan zijn er volgens docenten en ouders die we spraken een aantal risico’s die op de loer liggen:

  • Meestal kan er maar een beperkt aantal gesprekken plaatsvinden. De ouder kiest dan al gauw voor de ‘probleemvakken’. De docent geeft zijn of haar visie over de achtergrond en de ouder brieft deze visie vaak in versterkte vorm door aan het kind. Deze kan op zijn of haar beurt niet anders dan de boodschap weerleggen of accepteren, waarbij de kans groot is, zeker in het geval een leerling in het voorgezet onderwijs, dat er niet veel mee gebeurt. Het gesprek is daarmee niet per se waardevol voor het kind.
  • Voor de leerkrachten is het ook niet positief om tijdens de ‘tafeltjesavonden’ vooral die ouders te zien van de zogenaamde ‘probleemgevallen’, de avonden krijgen hierdoor een negatief karakter (“Ik moet weer naar school voor mijn dochter…”);
  • Het is zwaar om veel korte, vaak moeilijke, gesprekken achter elkaar te hebben; dat komt de kwaliteit van zeker de laatste gesprekken niet ten goede
  • Leerkrachten ervaren soms dat juist de ouders die ze wel zouden willen spreken niet naar de 10-minutengesprekken komen.
  • Het moet buiten schooltijden, wat de ervaren werkdruk van de docenten vaak verhoogt.
  • En dan moet je ook nog op die kleine stoeltjes zitten…!

De onderliggende vraag

Het is duidelijk dat de 10-minutengesprekken een middel zijn om de ouders te betrekken bij het leerproces van hun kind. Hoewel activiteiten ten behoeve van ouderbetrokkenheid  regelmatig onderwerp van wetenschappelijk onderzoek zijn en er daardoor verschillende visies bestaan op de wijze waarop hier invulling aan gegeven zou moeten worden, is nog niet wetenschappelijk aangetoond of het 10-minutengesprek al dan niet effectief is, zegt Peter de Vries, van Ouderbetrokenheid 3.0.

Wat diverse onderzoeken wel aangeven is dat door contact met de ouders de leerprestaties van de leerlingen positief beïnvloed kunnen worden. Ouderbetrokkenheid heeft een significant positief effect op het functioneren van leerlingen binnen school, op hun cognitief functioneren, hun schoolprestaties en hun werkhouding. Dit geldt voor leerlingen van alle leeftijden, ongeacht de economische en etnische achtergrond van het gezin en het opleidingsniveau van de ouders.

Uit een reviewstudie van 165 onderzoeken en publicaties uit 2013 van Radboud Universiteit in Nijmegen blijkt het volgende:

Voor leerlingen van alle leeftijden blijkt de betrokkenheid van ouders thuis de belangrijkste bijdrage in hun ontwikkeling. Aanzienlijk minder groot is de bijdrage van de betrokkenheid op school en het contact tussen ouders en leraren. Ook blijkt dat leraren in staat zijn een bijdrage te leveren aan de betrokkenheid van ouders, mits zij over positieve attituden beschikken en over het vermogen om ouders concrete en praktisch bruikbare adviezen te geven en hen te respecteren in de rol die ouders zichzelf toedichten bij het leren van hun kinderen.

Eddie Denessen, een van de onderzoekers, ontwikkelde naar aanleiding van het onderzoek een checklist voor leerkrachten met tips voor oudercommunicatie

Ander onderzoek maakt inzichtelijk hoe groot de invloed van school en ouders is op verschillende leeftijden. Het schoolsucces van een zevenjarig kind wordt voor 29 procent bepaald door zijn ouders en voor 5 procent door de school. Naarmate het kind ouder wordt, verschuift deze verhouding. Bij een elfjarig kind is de invloed van de ouders 27 procent en de invloed van school 21 procent. Bij een zestienjarige leerling wordt het prestatiesucces nog voor 14 procent bepaald door de ouders en voor 51 procent door de school. Dus ook al wordt de invloed van ouders minder naarmate een kind ouder wordt, zij hebben in het voortgezet onderwijs nog steeds een aanzienlijke rol. Leerkrachten kunnen bijvoorbeeld ouders suggesties doen voor hulp bij het huiswerk, of door inzicht in de thuissituatie de leerlingbegeleiding beter afstemmen.

De onderliggende vraag is dus eigenlijk: hoe kan ouderbetrokkenheid worden vergroot?
Peter de Vries, expert en onderzoeker op het gebied van Ouderbetrokkenheid, definieert op basis van onderzoek vier essentiële ingrediënten die de ouderbetrokkenheid en daarmee de leerprestaties van de leerlingen kunnen vergroten:

  • Aan het begin van elk schooljaar: een uitgebreid startgesprek tussen ouder(s), leerkracht en leerling.
  • Een individueel gespreksarrangement: op basis van de ontwikkelingsbehoefte van de leerling spreken school, ouders en leerling de frequentie en de vorm van contact af.
  • Activiteiten (zoals bijvoorbeeld een nieuwjaarsreceptie in augustus) waarmee ouders en kinderen elkaar elk jaar opnieuw leren kennen, waardoor betrokkenheid bij elkaar ontstaat.
  • Ouders zijn elkaars ‘buddy’ – bijvoorbeeld ervaren ouders die nieuwe ouders introduceren in de gebruiken van de school, of bijvoorbeeld optreden als tolk wanneer een andere ouder de taal onvoldoende machtig is.

Op de website van het CPS Onderwijsontwikkeling en advies, kun je een gratis eBook downloaden met tips over ouderbetrokkenheid.

Wat zijn alternatieven?

Hoewel naar schatting nog zo’n 70 procent van de scholen gebruik maakt van de 10-minutengesprekken, zijn er tal van alternatieven die ook al in het onderwijs worden toegepast.

Zo houden kinderen bijvoorbeeld een portfolio bij, geven zij een presentatie over de resultaten en bespreken dit met hun ouders en mentor. Een voorbeeld van een school die zo werkt is de locatie Tweede Stroming van Basisschool de Fonkeling. Deze school vindt het van belang dat kinderen zelfstandig leerdoelen kunnen stellen – zij spreken over zelfregulatie. De kinderen werken met een persoonlijk werkplan, een weektaak. Op het werkplan staan doelen vermeld. Deze doelen komen voort uit gemaakte toetsen of vanuit de kinderen zelf. Vier keer per jaar (twee keer verplicht en twee keer facultatief) worden gesprekken gevoerd. Deze gesprekken vinden plaats na schooltijd en worden gevoerd met het kind, waar de ouders ook bij aanwezig zijn. Het gesprek vindt plaats tussen het kind en de leerkracht, de leerkracht onthoudt en registreert de gemaakte afspraken en ondersteunt het kind bij de uitvoering ervan.

Er zijn ook voorbeelden van experimenten in het voorgezet onderwijs. Leerkracht economie Christiaan van Os deed een flip-versie van het 10-minutengesprek waarbij hij de leerlingen vroeg om middels een vast format hun gesprek voor te bereiden. De input van de leerling werd zo de basis voor het gesprek en dat gaf een compleet andere energie dan wanneer de docent of de ouders een gesprek starten vanuit hun eigen perspectief. Er ontstond ruimte voor de leerling om open en zonder oordeel met de eigen ouders en de docent in gesprek te gaan.

De School, opgericht door Marjolein Ploegman, pakt het ook anders aan: “Vijf keer per jaar, om de tien weken, komen ouders voor een gesprek van een uur naar school om het leerplan samen met leerkracht en kind te bespreken. Alle ouders komen op die gesprekken, de opkomst is 100%, vijf keer per jaar. Wij hebben het probleem niet dat ouders niet komen opdagen of niet betrokken zouden zijn bij school. Waarom niet? Omdat het over jouw kind gaat en omdat je invloed hebt. En ze kunnen het met school delen als ze iets lastig vinden, zich zorgen maken of als thuis dingen even wat lastiger lopen. Dat kunnen wij voor een deel ook opvangen. Want een kind gedijt als het gezin gedijt. Ook dat is onderdeel van het gesprek. En mede doordat ze elkaar zo regelmatig spreken, ontstaat er een vertrouwensrelatie tussen ouders, leerkracht en kind.”

waarom 10-minutengesprekken

Op het Rotterdams Vakcollege (RVC) de Hef, een vmbo school die niet zo lang geleden bekend stond als een ‘probleemschool, in een probleemwijk, met probleemkinderen’ heeft directeur Selma Klinkhamer direct bij haar aanstelling een aantal belangrijke ingrepen gedaan. Ze voerde lange gesprekken in van minimaal een half uur, direct aan het begin van het jaar. Gesprekken tussen leerkracht, ouders én leerling. Tijdens deze gesprekken komt de gehele context van de leerling aan bod en wordt een belangrijke basis gelegd voor de vertrouwensband tussen de drie partijen. In het begin was, ook door de vele ouders die de Nederlandse taal voldoende beheersen, de ouderbetrokkenheid bij de school vrijwel nihil. Na drie jaar is, mede dankzij deze gesprekken, de ouderbetrokkenheid een volledige 100%! De leerkrachten, voor wie dit een flinke tijdsinvestering is, ervaren dat het zich dubbel en dwars terugbetaalt in de vorm van resultaten en vertrouwen.

Tot slot

Het onderzoeken en beantwoorden van de onderwijsvragen is een communityproject, een ‘imperfect work in progress’ waarbij de input van lezers en anderen van doorslaggevend belang is.

De antwoorden op deze onderwijsvraag zijn tot stand gekomen dankzij input, inzichten en bijdragen van onder andere Tijs van Ruiten en Jacques Dane (Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht), onderwijsonderzoeker Hartger Wassink (NIVOZ), expert op het gebied van ouderbetrokkenheid Peter de Vries en leerkracht Martijn van Schaik.

Heb je nog aanvullingen, nieuwe inzichten of (vooral) wetenschappelijk onderzoek of harde data die bovenstaande argumenten verder onderbouwen of juist verwerpen? We horen het graag!
Wil je helpen met de beantwoording van de vragen van de komende weken? Graag! Dat kan via dit formulier.

Heb je zelf een onderwijsvraag of wil je mee discussiëren over de Onderwijsvragen? Gebruik de hashtags #onderwijsvraag of #onderwijsvragen op sociale media!