#Onderwijsvraag 15: Waarom hoger versus lager?
We verkennen de leersystemen van morgen en bevragen het onderwijssysteem van vandaag.
operation education, education, onderwijs, onderwijsvragen, waarom, waartoe, vragend veranderen, Claire Boonstra
3130
post-template-default,single,single-post,postid-3130,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,columns-4,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-10.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.1.1,vc_responsive

#Onderwijsvraag 15: Waarom hoger versus lager?

Elke twee weken onderzoeken we op BNR, samen met luisteraars en onze volgers, een #Onderwijsvraag. Deze week bespraken we de eerste van een serie van drie speciale onderwijsvragen: ‘Waarom kennen we een indeling in hoger versus lager?’ Hieronder vind je een eerste verkenning van de historie, de voordelen, nadelen en alternatieven.

Wil je de uitzending terugluisteren, klik dan hier voor de podcast!

hoog vs laag

 

Het ontstaan van het systeem

Een van de conclusies die we trokken uit de eerste dertien onderwijsvragen, is dat het systeem, de manier waarop we de dingen doen, zo verschrikkelijk moeilijk uit ons te krijgen is. Drie heel belangrijk gewoontes die overal in ons leven, ons onderwijs en in ons werken zijn ingeslopen zijn daar de oorzaak van en ze zijn terug te voeren op de ideeën van drie mensen.

De eerste gaat over de vraag: Waarom gaan we eigenlijk uit van een gemiddelde? Vervolgens en daarop voortbouwend gaat het over de vraag: Waarom hanteren we een indeling in hoger versus lager? En tenslotte: Waarom hebben we te maken met standaardisatie?

In een drieluik ga ik dieper in op deze speciale serie #onderwijsvragen. Dit tweede deel gaat over de indeling in ‘hoger’ versus ‘lager’.

Waarom hoger versus lager?

Wat we op dit moment doen, en dat is ver doorgevoerd in al onze systemen, is het volledige spectrum van wat en wie je bent als mens op een zeker moment reduceren tot één punt op een lijn. En de positie van het punt op de lijn, bepaalt waar je bent ingedeeld. Of je hoger of lager bent ingedeeld. Wat we eigenlijk tegen mensen zeggen is: je bent superieur of inferieur.

Zo ook in het onderwijs. We gaan ervan uit dat kinderen van twaalf jaar allemaal even ver zijn in hun ontwikkeling. Op basis van de norm en het resultaat van een op die norm gebaseerde eindtoets, bepalen we het schoolniveau van de twaalfjarige leerling. We bepalen of ze dóór mogen naar de havo of het vwo, of  ‘slechts’ het vmbo.

Waarom eigenlijk? Hoe is dat zo ontstaan?

De rangorde van Galton

Quetelet stelde dat de meting van een individuele persoon per definitie foutief was en dat de echte mens werd vertegenwoordigd door de gemiddelde mens, het toonbeeld van perfectie.

Sir Francis Galton, heeft voortgebouwd op het werk van Quetelet en was het met vrijwel alle ideeën van Quetelet eens, maar voor hem stond het gemiddelde niet gelijk aan perfectie, maar juist aan ‘middelmatig, grof en alledaags’. Waar Quetelet elke afwijking van het gemiddelde als ‘fout’ bestempelde, gebruikte Galton een ‘rangorde’ voor de mate van afwijking van het gemiddelde. Hij deelde de mensheid in in veertien klassen, waarvan de laagste werd gevormd door de ‘imbecielen’. Halverwege bevonden zich de ‘middelmatigen’ en aan de top de ‘eminenten’. Hij zag het als ‘heilige opdracht aan de mensheid om het gemiddelde zo ver mogelijk te ontstijgen’. Hij beriep zich daarbij op de theorie van zijn neef Darwin over de natuurlijke selectie en op de principes van eugenetica, ook wel rassenverbetering. Om het bestaan van de door hem bedachte rangorde te bewijzen, ontwikkelde Galton nieuwe statistische methoden, zoals correlatie, een techniek waarmee hij de relatie tussen klasse en diverse eigenschappen kon beoordelen.

Quetelets idee van de gemiddelde mens en Galtons idee van klassen vormen tot op de dag van vandaag de pijlers van ons huidige onderwijs, van sollicitatieprocedures en  functioneringsgesprekken. En hoewel de invloed van Quetelets denken verstrengeld is geraakt met de inrichting van onze systemen, is de erfenis van Galton voor de meeste mensen het meest tastbaar. Wie voelt er niet de druk om zo ver mogelijk boven het gemiddelde uit te komen? ‘In het tijdperk van het gemiddelde kunnen we alleen succesvol zijn als anderen ons niet als middelmatig of – en erger kan niet – als benedengemiddeld beschouwen.’

Onderscheid in onderwijs

Door de invloeden van Edward Thorndike wordt sinds het begin van de twintigste eeuw ook in onderwijs onderscheid gemaakt tussen ‘superieure’ en ‘inferieure’ leerlingen. Volgens Thorndike werden iemands uniekheid en waarde bepaald door de mate waarin hij afweek van het gemiddelde. Hij vond dat getalenteerde leerlingen op school alle ruimte moesten krijgen. En de trage, inferieure leerling? Tja, daar hoefden we geen geld aan uit te geven.. Thorndike bouwde daarmee voort op de ideeën van Galton en combineerde dat met de ideeën van Taylor over standaardisatie, waar ik in het laatste deel van het drieluik dieper op in zal gaan. Alle aspecten van onderwijs werden op basis van het gemiddelde gestandaardiseerd. Op die manier kon je eenvoudig zien of een leerling superieur of inferieur was. En nog altijd kennen we de indeling in begaafde leerlingen en achterstandsleerlingen.

Inspelen op niveauverschillen

Op basis van de gemeten afwijking ten opzichte van het gemiddelde, kun je dus vaststellen op welk niveau leerlingen presteren en kun je groepsgewijs inspelen op niveauverschillen. Bij het leren lezen op de basisschool wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van drie aanpakken: voor de benedengemiddelde leerlingen die van de ‘ster’, voor de normale ontwikkeling de ‘maan’ en voor de bovengemiddelde leerlingen de ‘zon’.

Uit recent onderzoek blijkt dat een indeling naar niveau een gunstig effect kan hebben op de prestaties van leerlingen. Dat wil zeggen als dit af en toe, en in verschillende samenstellingen wordt toegepast, afhankelijk van het betreffende vak of onderwerp.

Ook volgens het rapport ‘Kansrijk onderwijsbeleid’ van het CPB zouden verschillende buitenlandse onderzoeken laten zien dat kinderen beter presteren als zij worden ingedeeld bij leerlingen van vergelijkbaar niveau, schrijft Marilse Eerkens. Maar alleen als de eisen aan de kinderen in de benedengemiddelde klas niet worden verlaagd. Daarnaast zouden scholen regelmatig moeten controleren of leerlingen nog steeds goed zijn ingedeeld, om te voorkomen dat ze al op de basisschool definitief voorsorteren richting mbo of universiteit.

Fixed mindset

Nog los van de vraagtekens die bij het CPB rapport zijn gesteld, blijft de vroege indeling niet zonder risico’s. Leerlingen die ingedeeld zijn in de groep met benedengemiddelde kinderen, zullen zich daar ook naar gaan gedragen. Het veroorzaakt een ‘fixed mindset’, het geloof dat je bepaalde dingen nu eenmaal goed kunt en andere juist niet. En ook de leerkracht kan daarvan overtuigd zijn, waardoor de kans klein is dat je tussentijds van groep kunt wisselen.

Denk je eens in wat er gebeurt als je als mens altijd onderaan de lijstjes bungelt en je krijgt je leven lang te horen: ‘Sorry, het zit er niet in, je werkhouding is niet goed, het komt er niet uit. Je voldoet eigenlijk gewoon niet.’ Wat doet dat met een mens? En aan de andere kant zeggen we tegen de ‘bovengemiddelde’ mensen: ‘Jij bent echt goed hoor, echt goed. Jij gaat door, jij komt er wel.’ Wat doet het met mensen als ze continu te horen krijgen dat ze ‘superieur’ zijn?

Kunnen we misschien een parallel trekken met dat wat er op dit moment de samenleving gebeurt? Mensen die altijd te horen kregen dat ze ‘inferieur’ zijn, dat ze niet voldoen aan de norm en ook de mensen die altijd te horen kregen dat ze ‘superieur’ zijn en dat ineens, door de ontwikkelingen in de samenleving niet meer zijn? Maar daarbovenop – denken we werkelijk dat mensen met een ‘hogere’ opleiding, een ‘hogere’ status en ‘hogere’ banen waardevoller zijn voor de samenleving dan mensen met een ‘lagere’ opleiding of een ‘lagere’ baan? Nee toch?

Hoe kunnen we dit doorbreken?

Symbiose

Galton beriep zich op de theorie van Darwin en pleitte voor een ‘survival of the fittest’. Niet het individu, maar de klasse, de groep, stond daarbij centraal. De focus op de hoogste klasse, de eminenten, zou de ‘vergane glorie van Groot-Brittannië herstellen’.

Nog altijd vind je het idee van de ‘survival of the fittest’ terug in de samenleving. In het bedrijfsleven kennen we bijvoorbeeld de competitie tussen werknemers die door de leiding gestimuleerd wordt. De sterksten komen dan vanzelf bovendrijven, de zwakke werknemers vallen af en zo creëer je een goedlopende organisatie, is de gedachte.

Maar zijn de sterksten ook daadwerkelijk de sterksten als we kijken naar een gemiddelde? Een gemiddelde gebaseerd op enkele en voor iedereen gelijke capaciteiten die wij op dat moment belangrijk vinden? Door het individu te vergelijken met een groep, verliest het individu zijn betekenis. Hoe verhoudt dit zich tot de vrijwel oneindig grote diversiteit aan natuurlijke kwaliteiten die mensen kunnen hebben, en tot het vrijwel oneindig grote aantal rollen die mensen kunnen vervullen in de samenleving?

In het blog over het gemiddelde spraken we al van het belang van de Economic Complexity Index. Hoe meer diversiteit, uniciteit, complexiteit en nabijheid van economische activiteit, hoe sterker de economie. En dat geldt ook voor de natuur: hoe diverser het ecosysteem, hoe sterker. De laatste jaren blijkt de ‘survival of the fittest’ slechts één kant van de evolutionaire medaille. Wat maakt de natuurlijke wereld vol variatie dan wel tot wat hij is? Juist extreem geraffineerde, grootschalige samenwerkingsverbanden. Symbiose. Symbiose is de drijvende kracht achter het ontstaan van nieuwe soorten. De samenwerking maakt sterk en fit, samenwerking zorgt dat soorten zich kunnen aanpassen aan nieuwe omgevingen en situaties.

Verschil

De VO-raad kwam deze week met een alternatief voor het steeds groter wordende verschil tussen hoog en laag. Ze willen een tweede schooladvies instellen aan het einde van het tweede jaar op de middelbare school. Leerlingen krijgen dan meer tijd om zich te ontwikkelen en te laten zien welk schooltype het beste past. Jan Bransen, hoogleraar Filosofie, denkt dat deze maatregel de ongelijkheid juist benadrukt en reageerde als volgt:

‘Je hebt verschil. Verschil in belangstelling, in motivatie, in concentratie, in snelheid, in enthousiasme, in braafheid, en ga zo maar door. Er zijn enorme verschillen tussen leerlingen in om het even welke dimensie. Geen van die verschillen heeft met ongelijkheid te maken.
Maar naast al deze, reële verschillen heb je ook nog verschil in niveau. Dat verschil heeft wel met ongelijkheid te maken. Maar dat verschil in niveau, in hoger en lager onderwijs… dat is een uitvinding van het onderwijsbestel zelf. Dat heeft niets met die verschillen tussen leerlingen te maken. Althans, bijna niets. Dat is een grove versimpeling van die verschillen, het terugbrengen van die verschillen tot één dimensie, een dimensie die gedefinieerd wordt door het onderwijssysteem zelf. En die in stand gehouden wordt door dat systeem.’

Wil je meer lezen?

Het boek van Todd Rose, ‘De mythe van het gemiddelde’, heeft me veel inzichten gegeven over het ontstaan en de verdere vorming van ons onderwijssysteem. De combinatie met de ‘lessons learned’ in de afgelopen jaren en het eerdere onderzoek naar de #onderwijsvragen, gaf aanleiding tot dit drieluik over het hanteren van het gemiddelde en de gevolgen daarvan. Zeer de moeite van het lezen waard!

Tot slot

Deze onderwijsvraag is tot stand gekomen dankzij de waardevolle input, inzichten en bijdragen van Marjolein ten Hoonte, Pedro de Bruyckere en vele anderen via Twitter, zoals je hier & hier kunt terugvinden.

Heb je nog aanvullingen, nieuwe inzichten of (vooral) wetenschappelijk onderzoek of harde data die bovenstaande argumenten verder onderbouwen of juist verwerpen? We horen het graag!
Heb je zelf een onderwijsvraag of wil je mee discussiëren over de Onderwijsvragen? Gebruik de hashtags #onderwijsvraag of #onderwijsvragen op sociale media!

Ben je benieuwd naar de andere #onderwijsvragen? We hebben ze gebundeld op deze pagina!