#Onderwijsvraag 17: Waarom is er een urennorm?
We verkennen de leersystemen van morgen en bevragen het onderwijssysteem van vandaag.
operation education, education, onderwijs, onderwijsvragen, waarom, waartoe, vragend veranderen, Claire Boonstra
3236
post-template-default,single,single-post,postid-3236,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,columns-4,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-10.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.1.1,vc_responsive

#Onderwijsvraag 17: Waarom is er een urennorm?

Elke twee weken onderzoeken we op BNR, samen met luisteraars en onze volgers, een #Onderwijsvraag. Deze week bespraken we de onderwijsvraag: ‘Waarom is er een urennorm?’

Wil je de uitzending terugluisteren, klik dan hier voor de podcast!

 

Waarom is er een urennorm?

Waarom kennen we een minimum aantal uren onderwijstijd? Hoe is dat zo ontstaan en wat zijn de effecten ervan? Wat houdt onderwijstijd eigenlijk precies in? Welke ruimte is er voor scholen om daar zelf invulling aan te geven en hoe brengen ze dat in praktijk? Hieronder vind je een eerste verkenning van de historie, de voordelen, nadelen en alternatieven.

Het kinderwetje van Van Houten

Voor 1878 was er nog niks geregeld rondom een urennorm. De schooltijden werden vastgesteld door plaatselijke schoolreglementen en werden soms ook provinciaal geregeld. Wel werd in 1874 het ‘kinderwetje van Van Houten’ van kracht, de eerste wet in Nederland die een einde maakte aan kinderarbeid in fabrieken. Hoewel er nauwelijks sprake was van handhaving van de wet, gingen kinderen sinds die tijd regelmatiger naar school, verspreid over de week.

De Onderwijswet van 1878 stelde dat de schooltijden bepaald moesten worden door het hoofd van de school, de gemeenteraad en de ‘districtsschoolopziener’ – tegenwoordig de inspecteur van het onderwijs. Door samenwerking tussen de districten was er hier en daar ook wel sprake van harmonisatie van schooltijden, maar er waren ook grote verschillen. Sommige scholen waren het hele jaar open, andere scholen waren in de zomer een paar maanden gesloten.

Een bijzonder detail, zeker in het licht van het verbod op de kinderarbeid, was het feit dat meisjes na school verplicht naar lessen ‘nuttige handwerken’ moesten en dus langer naar ‘school’ gingen dan de jongens. Ook toen in 1889 de eerste vaste schooltijden werden ingesteld – ten minste 18 uur per week naar school – brachten deze extra lessen discussie teweeg.

De Onderwijswet van 1920

In de Onderwijswet van 1920 werd voor het eerst gesproken over een urennorm. De school moest 40 weken per jaar open zijn, en minimaal 26 uur per week. Bij elkaar opgeteld 1040 uur. Pas in 1958 werd het officieel vastgelegd en sindsdien gelden ook het minimum aantal uren per jaar. Voorheen was vooral sprake geweest van een minimum aantal weken per jaar.

De gedachtegang achter het vaststellen van de urennorm was altijd een wisselwerking tussen het recht op voldoende onderwijstijd en het maximum volgens de arbeidstijdenwet: onderwijs mag niet verworden tot kinderarbeid en moet tegemoet komen aan de psychosociale aspecten van kinderen. Dit aspect speelde zich vooral af in de jaren ‘70, waardoor de urennorm werd verminderd tot een minimum van 1000 uur.

Recht op voldoende onderwijs van goede kwaliteit

Uitgangspunt bij het vaststellen van een minimum urennorm was altijd het recht op voldoende tijd voor kwalitatief onderwijs, vanaf 1901 beschermd door de Leerplichtwet. Elk kind zou zo in staat zijn om het onderwijs te volgen waar het recht op heeft. Daarvoor werd een minimum aantal uren vastgesteld.

Spreiding van onderwijstijd

Om ervoor te zorgen dat de grens van kinderarbeid werd bewaakt en er rekening gehouden werd met het welzijn van de leerlingen, werd ook voldoende spreiding van onderwijstijd geregeld. De onderwijstijd werd daarom verdeeld over 40 weken en is later ook het maximum aantal dagen per week vastgesteld.

In de jaren ‘70 leidde de discussie over de psychosociale aspecten van de urennorm zelfs tot een vermindering van 1040 naar 1000 uur per jaar en zou op dit moment ook het samenvoegen van voorschoolse en naschoolse opvang in dezelfde ‘school’ een punt van discussie kunnen zijn: in hoeverre is hier voldoende balans tussen ‘werk’ en ‘vrije tijd’?

Strijd over onderwijstijd

Het minimum aantal uren is in de jaren daarna ook weer gestegen. In 2005 was het minimum voor het voortgezet onderwijs zelfs 1067 uur. Maria van der Hoeven, destijds Minister van Onderwijs, bracht deze verplichte uren terug naar 1040, want de norm bleek niet haalbaar en was ook niet te handhaven, getuige de bezwaren van zowel onderwijsinspectie als ouders. De 1040-urennorm hield in dat er 1040 uur begeleid onderwijs gegeven moest worden, met een leraar voor de klas en lessen die vast bij het programma van die school horen. 40 uur daarvan mocht vrijer ingevuld worden.

Ophokuren

Tegenover de vermindering van deze urennorm stond een verscherpt toezicht door de inspectie. Doordat scholen niet goed konden voldoen aan ook de nieuwe urennorm, leidde dat tot het ‘ophokken’ van leerlingen. Onderwijsprogramma’s werden aangevuld met uren waar veel leerlingen tegelijk aanwezig moesten zijn om bijvoorbeeld ‘voor zichzelf te werken’, zodat de 1040 urennorm werd gehaald. Deze term werd voor het eerst gebruikt door het LAKS (Landelijk Aktie Komitee Scholieren), in november 2007. Destijds ontstonden felle protesten van scholieren tegen de 1040-urennorm die ophokuren tot gevolg heeft.

Matteüseffect

Een gelijk aantal uren voor alle leerlingen brengt daarbij het matteüseffect met zich mee. Het is de sociologische vakterm voor het rijker worden van de rijken en het armer worden van de armen. In het onderwijs werd het concept voor het eerst toegepast bij een onderzoek naar taalverwerving en taalachterstand: Leerlingen die vroeg de kunst van het lezen aanleren, dragen dit succes mee en zullen als oudere leerlingen sneller teksten voor gevorderden kunnen lezen en begrijpen; leerlingen die van begin af aan falen, bouwen een levenslange achterstand op die zich uitbreidt naar alle leerprocessen.

Het gelijk houden van de onderwijstijd voor iedereen, leidt tot verschillen in prestaties. ‘Voor eerlijke onderwijskansen moet je onderwijs bieden dat koerst op gelijke resultaten, niet op gelijke uren’, legt Ben Wilbrink uit. Belangrijk dus om uit te gaan van een gelijke voorkennis, een zelfde ‘vertrekpunt’, zoals Karen Heij ook verwoordde in haar brief aan de vaste Kamercommisie voor onderwijs.

Meer uren, beter onderwijs?

Paul van Meenen, onderwijswoordvoerder van D66, vertelt in een interview in het magazine van12tot18, dat het verplichte aantal uren vooral een geweldige administratieve rompslomp gaf en soms idiote situaties waarin inspecteurs agenda’s van leerlingen controleerden op het aantal aangeboden lesuren. Allemaal vanuit het idee dat verhoging van het aantal onderwijsuren gelijk staat aan een verhoging van de onderwijskwaliteit. Maar is dat ook zo?

Tot op zekere hoogte wel, zegt Jaap Scheerens, professor emeritus aan de Universiteit Twente. Voldoende blootstelling aan onderwijs is een voorwaarde om effect te bereiken, maar leertijd kan het beste gezien worden als een van de aspecten van kwaliteit van onderwijs, naast relevante leerstofkeuze en effectieve onderwijsstrategieën. Daarbij mogen we niet uit het oog verliezen dat differentiatie in leertijd van belang is, in het bijzonder voor zwakker presterende leerlingen.

Een ook Paul van Meenen vraagt zich af waarom elke leerling precies 1040 uren nodig heeft. Sommige leerlingen hebben er maar 800 nodig, anderen weer 1200. ‘Uiteindelijk leidden mijn inspanningen van destijds tot de huidige wet Modernisering van de onderwijstijd.’  Waarde van een norm

Ook de Commissie Onderwijstijd stelde zich in 2008, ten tijde van de ‘strijd over onderwijstijd’, de vraag ‘Wat is de waarde van een norm?’  De commissie pleitte voor een versoepeling van de urennorm, voor kernbegrippen als ‘kwaliteit, kwantiteit en betrokkenheid’ en inspraak van leerlingen bij de vormgeving en planning van het onderwijsprogramma. De commissie zei dat onderwijstijd niet alleen de lessen waren op het lesrooster, maar alle leerlingactiviteiten die onder de pedagogisch-didactische verantwoordelijkheid van daartoe bekwaam (onderwijs)personeel werden gepland en uitgevoerd. Dat moest lucht geven aan scholen en het zou ophokuren voorkomen. En hoewel de scholen al meer vrijheid hadden sinds het rapport van de commissie, heeft het nog een aantal jaren geduurd voordat deze waarden ook daadwerkelijk in de wet zijn opgenomen.

Hoe is het nu?

Met de nieuwe wet op de onderwijstijd die sinds augustus 2015 van kracht is, hebben scholen de ruimte gekregen om hun eigen onderwijsprogramma vorm te geven. Het is niet langer de overheid die bepaalt wat onderwijstijd is, maar de school zelf.

De urennorm per leerjaar en per leerling wordt met de nieuwe wet vervangen door een urennorm per onderwijssoort. Deze geldt voor de gehele schoolloopbaan. Scholen zijn dus vrij dit minimum aantal uren te verdelen over een aantal jaren. Wel moet daarbij rekening gehouden worden met een minimum aantal dagen dat er onderwijs gegeven moet worden. Op de basisschool is er bijvoorbeeld de regel dat er 5 dagen per week les gegeven wordt, in het voortgezet onderwijs geldt dat een minimum van 189 dagen per jaar. Zo wordt aan voldoende spreiding van lesuren tegemoet gekomen.

Het nieuwe begrip onderwijstijd

In feite behoeft een onderwijsactiviteit maar aan drie voorwaarden te voldoen om als onderwijstijd te worden gezien:

  • bewust gepland en verzorgd onder verantwoordelijkheid van de school;
  • uitgevoerd onder de pedagogisch-didactische verantwoordelijkheid van een leraar of een ander die hier op grond van de wet mee belast mag worden;
  • de medezeggenschap moet er vooraf mee hebben ingestemd.

Deze voorwaarden zijn met opzet zeer ruim geformuleerd. Zo is de wet is een belangrijk instrument om een onderwijsprogramma samen te stellen dat past bij de visie van de school. Deze notitie biedt nadere duiding en houvast om op school het professionele gesprek te kunnen voeren over de wijze waarop deze ruimte benut kan worden vanuit die eigen, gezamenlijke visie op goed onderwijs.

Onderwijstijd als vliegwiel voor vernieuwing

Nog niet op alle scholen wordt de ruimte ervaren. Extra aandacht voor burgerschap bijvoorbeeld – op dit moment heel actueel – wordt soms gezien als extra tijd, die er naast de verplichte urennorm niet is en waar ook geen vergoeding tegenover staat. Toch geeft de nieuwe urennorm scholen juist meer ruimte en flexibiliteit om het onderwijs beter in te richten; meer mogelijkheden om een aangepast programma aan te bieden aan bijvoorbeeld leerlingen met een voorsprong of een achterstand en meer mogelijkheden om lesuitval op te vangen.

In het novembernummer van van12tot18 over ‘Tijd in het onderwijs’, staan vijf scholen beschreven die ieder op hun eigen manier invulling hebben gegeven aan de nieuwe vrijheid.

‘School buiten de hekken’ is de titel van de visie van het Vechtdal College. Leren doe je niet alleen op school. Van buitenschoolse activiteiten worden veel leerlingen enthousiast en ze doen ook nog kennis op waarmee ze later uit de voeten kunnen in de maatschappij. ‘Een leerling die naast school een voetbalelftal coacht leert enorm veel buiten de hekken en het is mooi als dat ook gewaardeerd wordt.’

Onderwijstijd is bij het Cartesius 2 geen vaststaand feit en hoeft niet per se binnen de muren van de school plaats te vinden. ‘Onderwijstijd is bij ons meer dan modules alleen. Leerlingen kunnen keuzemodules volgen, een naschoolse club bijwonen en als ze ouder zijn kunnen ze zelfs bij een hogeschool of universiteit terecht voor onderwijs. Er zal altijd verplichte stof  blijven, maar als een leerling daar sneller doorheen gaat heeft hij de vrijheid om zelf op zoek te gaan naar leerstof.’

Op het Vathorst College is na de invoering van de wet onmiddellijk dialoog ontstaan tussen alle betrokkenen. Ze dachten na over zaken als autonomie, eigenaarschap, keuzevrijheid, zelfsturing, kwaliteit en kwantiteit. Leerlingen stellen zelf hun leerplan samen en bepalen zelf aan welke lessen ze behoefte hebben. ‘De modernisering van de onderwijstijd zien we als vliegwiel voor een verdere verbetering van het onderwijs en vermindering van de werkdruk.’

De School in Zandvoort is bijna het hele jaar geopend en hanteert flexibele en ruime schooltijden. Een van de instrumenten om leerlingen gelijke kansen te bieden. De school maakte deel uit van een experiment naar flexibele schooltijden, dat kort geleden is uitgebreid met meer scholen.

Wil je meer lezen?

Het onderzoek van de Radboud Universiteit uit 2015 deed naar variatie in schooltijd en onderwijstijd, geeft de effecten ervan weer en beschrijft een aantal interessante praktijkvoorbeelden.

Over de onderzoeken naar het effect van meer of minder uren op de leerresultaten, kun je lezen op de website van Pedro de Bruyckere, via deze en deze link. Ook Jan Tishauser schreef erover in een artikel.

Ook interessant om te bekijken is de video van de bijeenkomst in De Balie waar Jasmijn Kester, rector van het Vathorst College, sprak over het benutten van ruimte en tijd.
En de VO-Raad organiseert op 21 maart 2017 een bijeenkomst met het Greijdanus College in Zwolle over de mogelijkheden die de modernisering van onderwijstijd met zich meebrengt. Kijk ook op de website van de VO-Raad voor meer informatie hierover.

Tot slot

Deze onderwijsvraag is tot stand gekomen dankzij de waardevolle input, inzichten en bijdragen van Tijs van Ruiten van het Onderwijsmuseum,  Annemiek Staarman, vanuit de VO-Raad adviseur op het gebied van onderwijstijd, van de redactie van van12tot18, en vele anderen via Twitter, zoals je hier & hier kunt terugvinden.

Heb je nog aanvullingen, nieuwe inzichten of (vooral) wetenschappelijk onderzoek of harde data die bovenstaande argumenten verder onderbouwen of juist verwerpen? We horen het graag!
Heb je zelf een onderwijsvraag of wil je mee discussiëren over de Onderwijsvragen? Gebruik de hashtags #onderwijsvraag of #onderwijsvragen op sociale media!

Ben je benieuwd naar de andere #onderwijsvragen? We hebben ze gebundeld op deze pagina!