#Onderwijsvraag 3: Waarom zijn er klaslokalen?
We verkennen de leersystemen van morgen en bevragen het onderwijssysteem van vandaag.
operation education, education, onderwijs, onderwijsvragen, waarom, waartoe, vragend veranderen, Claire Boonstra
2562
post-template-default,single,single-post,postid-2562,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,columns-4,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-10.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.0.1,vc_responsive
waarom klaslokalen

#Onderwijsvraag 3: Waarom zijn er klaslokalen?

Elke twee weken onderzoeken we op BNR, samen met luisteraars en onze volgers, een #Onderwijsvraag. Deze week bespraken we de vraag ‘Waarom zijn er klaslokalen?’ Je kunt de uitzending terugluisteren via de podcast, hieronder vind je een eerste verkenning van de historie, de voordelen, nadelen en alternatieven.

Waarom zijn er klaslokalen?

We zijn het zo gewend: een school bestaande uit klaslokalen en jaargroepen die in het basisonderwijs het hele jaar vanuit dat klaslokaal les krijgen, en in het voortgezet onderwijs zich volgens het lesrooster van klaslokaal naar klaslokaal bewegen. Maar hoe is het eigenlijk zo gekomen? Is het nog logisch, vandaag de dag? Wat zijn de voordelen, de nadelen, en zijn er alternatieven?

Historie van het klaslokaal voert terug naar de 18e eeuw

De geschiedenis van het klaslokaal voert ons terug naar de 18e eeuw, naar de Groningse boerenzoon Hendrik Wester die bij toeval onderwijzer werd. In 1772 werkte hij als winkelbediende in de stad Groningen toen hij plotseling ziek werd en bij zijn ouders in het dorpje Garmerwolde moest aansterken. In die tijd overleed de schoolmeester in buurdorp Ten Boer, en werd aan Wester gevraagd of hij een tijdje wilde waarnemen op school.

Wester was nooit geschoold om les te geven, maar besloot het toch te doen. Al snel kreeg hij het gevoel dat er iets niet klopte. In die tijd was een school een grote ruimte waar hoofdelijk onderwijs werd gegeven. Ieder kind kreeg een apart werkje en moest dat af en toe aan de leerkracht laten zien. Die was nauwelijks beter geschoold dan de kinderen in de klas, en deed niet aan orde houden – met totale chaos tot gevolg. Er waren wel boeken, maar die waren voor volwassenen geschreven. Als een kind toevallig zin had om iets te gaan leren kon dat, maar veel verder ging het onderwijs niet.

Wester bracht daar verandering in. Hij schreef lesmethoden voor de kinderen van zijn school, in begrijpelijke taal, zoals het ABC boek, of Begin der letteroefening, voor kinderen” . Hij bedacht het zogeheten ‘stilschoolhouden’, probeerde zo rust in de klas te bewaren en begon groepjes kinderen les te geven aan de hand van een methode. En daarnaast begon hij bij te dragen aan het gedachtengoed van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, ook wel ’t Nut genoemd. Deze (inmiddels ruim 230-jarige) landelijke vereniging was een wonderlijk vooruitstrevende gemeenschap van denkers, behoorlijk moralistisch wel, die het welzijn van het individu en de maatschappij wilden bevorderen. Ze waren geïnspireerd door het verlichtingsideaal dat ieder kind zich moest kunnen ontwikkelen tot een braaf en weldenkend burger.

’t Nut probeerde nieuwe ideeën voor het onderwijs te ontlokken door prijsvragen uit te roepen. In 1792 vroeg de Maatschappij bijvoorbeeld aan haar leden:

‘Welke zijn de gebreken in de schoolen, waarin de jeugd van den gemeenen burgerstand onderweezen wordt? Daar de genoemde jeugd geene private genoegzaame onderwijzing genieten kan, welke zou de beste schoolinrichting zijn, om haar tot nijverheid en goede zeden, en tot dien trap van kundigheden te vormen, welke voor haaren toekomende werkzaamheden stand in het algemeen vereischt wordt, en welke zijn de geschikte middelen, om deeze inrichting tot stand te brengen?’

Mannen als Wester reageerden op deze prijsvragen. Al deze denkers waren op zoek naar de heilige graal: ‘hoe kunnen we meer kinderen tegelijkertijd van goed onderwijs voorzien?’ Klassikaal onderwijs werd gezien als het antwoord op die vraag. Dit werd ‘De nieuwe leerwijze’ genoemd. En die nieuwe leerwijze zou uiteindelijk in de onderwijswet van 1806 verplicht worden gesteld. Dit was de eerste landelijke schoolwet, waarin zwart op wit stond dat klassikaal les moest worden gegeven.

In de decennia daarna werden er met deze nieuwe wet in de hand scholen gebouwd waarin leerlingen in groepen werden georganiseerd en gescheiden. Het klaslokaal werd geboren. De treincoupé-opstelling raakte in zwang, en de keurige rijtjes van twee tafeltjes naast elkaar. Er kwamen schoolborden, telramen, inhoudsmaten en getekende platen om aan groepen leerlingen te laten zien. Onderwijzers moesten sindsdien geschoold worden en kregen de opdracht om les te geven uit vaste methoden.

Hendrik Wester zou uitgroeien tot een groot onderwijshervormer, die uiteindelijk meer dan vijftig schoolboeken voor kinderen schreef.

Voordelen van klaslokalen: efficiënt en betaalbaar

Het grote voordeel van het klaslokaal is volledig in lijn met haar ontstaansgeschiedenis: grote groepen kinderen toegang geven tot kennis, op een efficiënte en betaalbare wijze. Klaslokalen maken dat het leren logistiek goed te organiseren is, en houdt het beheersbaar en controleerbaar.

Verder geeft een klaslokaal je een eigen plek, geborgenheid en herkenbaarheid – en daarmee een vorm van rust. Ook in veel kantoorgebouwen waar middels flexplekken en veel open ruimtes ‘het nieuwe werken’ is ingevoerd, zie je dat mensen toch waarde hechten aan een eigen plek, waar ze hun eigen spullen aan de muur kunnen hebben en dat als vast referentiepunt kan dienen. Ook hersenonderzoek toont aan dat mensen gebaat zijn bij een rustige en herkenbare werkomgeving.

Binnen scholen speelt ruimtegebrek een belangrijke rol: in een schoolgebouw met veel leerlingen kun je in een opzet met klaslokalen maximaal nut halen uit de aanwezige oppervlakte.

Het financiële en logistieke aspect voert de boventoon: klaslokalen geven de mogelijkheid om tegen relatief lage kosten grote groepen kinderen in een efficiënt proces door de schoolloopbaan te loodsen.

“Het klaslokaal is een plek waar je een groep leerlingen hetzelfde lesmateriaal kan aanbieden op hetzelfde niveau in relatief goedkope vorm”, vertelt Rob Martens, hoogleraar doceren en docent professionalisering aan de Open Universiteit. “Het lokaal houdt de groepen beheersbaar”.

Nadelen: een klaslokaal beweegt niet mee met de lerende en de samenleving

Als je het beeld aanhangt dat leren iets is dat plaatsvindt tussen het opgroeiend individu aan de ene kant en de samenleving aan de andere kant, – of, zoals Gert Biesta het zegt: op een volwassen manier in de wereld komen – is een klaslokaal als leeromgeving niet heel logisch. Je kunt je afvragen hoe zo’n klaslokaal mee kan bewegen met dat individu, en hoe een klaslokaal de ‘echte wereld’ kan nabootsen. Kan een klaslokaal een volwaardige leeromgeving bieden waarin je dingen uit de echte wereld aangereikt en uitgelegd kunt krijgen, waar je dingen worden voorgedaan die je kunt nadoen, waarin je kunt ontdekken, oefenen, experimenteren en fouten maken? Kan een klaslokaal wel voldoende ruimte bieden voor de volledige ontwikkeling van ieders talenten en helpen bij het ontwikkelen tot volwassen mensen die actief bijdragen aan onze snel veranderende samenleving?

Stel dat je een klaslokaal – wat in feite ook een soort werkomgeving is – aan de ARBO wet wilt laten voldoen, dan heb je zo’n 8 m2 per leerling nodig. Voor een ‘klas’ met gemiddeld 28 kinderen heb je dan 224 m2 ruimte nodig. De normen van de Rijksoverheid voor het onderwijs zijn lager: 3,5 m2 bruto oppervlakte (dus inclusief gangen, trappen, et cetera) per leerling – oftewel: 98 m2 voor een klas met 28 leerlingen.

Ontwerpers gaan voor de grootte van een klaslokaal uit van 1,7 m2 per leerling – en maken klaslokalen van 50-56 m2 voor gemiddeld 28, soms 30 leerlingen. De leerkrachten en ouders die wij vroegen rapporteerden eveneens dat ze gemiddeld 2 m2 per leerling hadden, inclusief meubilair in het klaslokaal. Als je het meubilair meetelt, houd je zo’n 1,1 m2 per leerling over.

Berekening: (30×0,5=15m2), instructietafels (1,50m2), leerkrachtenbureaus (1,50m2) kasten (3m2) en computerwerkplekken (4×0,5=2m2). In onze voorbeeldklas (56m2, 30 leerlingen) houden we dus 56-15-1,50-1,50-3-2=33m² over. Deze 33 vierkante meter moet dus verdeeld worden met 30 personen. Houden we over: 1,1m² per leerling.

Ter vergelijking: de ruimtenorm voor mestvarkens in Nederland is 1,3 m2 – en in een stal staan geen tafeltjes.

Binnen een klaslokaal is het bijzonder lastig veel te bewegen – en beweging, zo  blijkt keer op keer uit onderzoek, is bijzonder goed voor iedereen. Er is inmiddels al in veel onderzoek aangetoond dat veel bewegen een gunstig effect heeft op prestaties, welbevinden en algehele fysieke en mentale gesteldheid – en dat het veel voorkomende hedendaagse aandoeningen als ADHD, overgewicht en depressies kan doen verminderen. Ook gaat leren en iets je echt ‘meester maken’ makkelijker als je het echt kunt doorleven – met beweging en door te voelen.

Het klaslokaal wordt al gauw de norm – en nodigt al snel uit tot eenvormigheid, met weinig ruimte voor diversiteit.

Alternatieven: het gebeurt deels al vanzelf, en veel scholen doen het al anders

Stiekem zijn leerlingen het klaslokaal al aan het verlaten, vertelt Rob Martens. ‘Ze gaan zelf naar YouTube om het filmpje te zoeken waar een docent uitlegt hoe een staartdeling werkt.’ Maar naast de nieuwe online wereld waarin kinderen tegenwoordig veel verblijven, zijn er ook veel scholen die op een andere manier gebruik proberen te maken van ruimte.

De Verwondering

Basisschool De Verwondering in Lent, bij Nijmegen, heeft onlangs een heel nieuwe school laten bouwen, zonder traditionele klaslokalen. Jan-Willem Helmink, schooldirecteur, vertelt: ‘Ik denk echt dat die klaslokalen stammen uit de tijd dat het nodig was dat we altijd moesten luisteren en opletten om te leren.’ De Verwondering heeft een grote centrale ruimte van zo’n 300 vierkante meter, met allerlei aparte hoeken. Een hoek voor lezen, een hoek voor rekenen, ‘leerpleinen’ worden ze genoemd. Kinderen kunnen vrij bewegen tussen deze hoeken en pleinen. ‘De ADHD’ers vallen hier minder op’, zegt Helmink. ‘Als ze een keertje rennen is het niet erg.’

Kinderen kunnen in school op zitzakken zitten. Alleen als ze gaan schrijven, dan worden ze aangespoord om aan een tafeltje te gaan zitten. Kinderen die behoefte hebben aan een vaste plek krijgen een eigen zitplaats, zegt Helmink. En daarnaast zijn er in de school een aantal ruimtes waar groepsinstructie kan worden gegeven, of in stilte kan worden gewerkt. Maar leerkrachten mogen steeds bepalen wat de beste ruimte is voor een bepaalde activiteit.

‘Voor de leerkracht geeft een klaslokaal een gevoel van overwicht en overzicht’, zegt Helmink. ‘Maar dat is juist ook beklemmend, omdat je altijd het centrum van de aandacht bent en er als leerkracht helemaal alleen voorstaat. Leerkrachten krijgen het gevoel: dit is mijn klas, mijn lokaal, mijn groep, ik ben verantwoordelijk. Terwijl, hier doen we het samen, we geven samen vorm aan het leren.’

We bestaan pas 2,5 jaar, zegt Helmink. ‘Maar ik zie hier dat kinderen leren om heel zelfstandig te leren en ontdekken. Er staat niet steeds iemand voor de klas naar wie je moet kijken. Dit worden geen afwachtkinderen, die afwachten totdat iemand ze vertelt wat ze moeten doen. Het is een waanzinnige manier van leren.’

O4NT

Ook de O4NT scholen – bekend als ‘Steve Jobsscholen’ of iPadscholen – hebben de vaste klaslokalen losgelaten. Ze organiseren het leren in verschillende ateliers, inclusief stilteruimtes.

waarom zijn er klaslokalen

Niekée

In de vorige onderwijsvraag over eindexamens schreven we al over de VMBO-school Niekée in Roermond – maar ook op dit gebied laat Niekée zien dat het anders kan. Het is een kleurrijk gebouw met een bijzondere architectuur dat past bij de eigen onderwijsfilosofie. De schoolleiding heeft ongeveer de helft van de lesstof uit het curriculum van een traditionele school geschrapt. In plaats daarvan wordt van leerlingen gevraagd om zelf te zoeken naar kennis die zijzelf belangrijk en relevant vinden. Dat kan niet in traditionele klaslokalen, en daarom ziet de school er ongewoon uit.

Middenin het gebouw is er een groot centraal atrium, met een open, lichte ruimte en: variabel meubilair. Leerlingen mogen een eigen plek maken van de school, schuiven met tafels en stoelen, ruimtes invullen zoals ze zelf willen. Er zijn speciale plekjes ingericht voor het werken op laptops en tablets. En veel ruimtes stimuleren het samenwerken. ‘We weten uit onderzoek dat kinderen een hogere breinactiviteit hebben als ze in groepjes werken’, zegt Sjef Drummen, directielid en mede-initiatiefnemer van Niekée. Volgens Drummen geeft een klaslokaal twee valse indrukken. Namelijk dat leerlingen aan het leren zijn als ze allemaal stil in een lokaal in een boekje zitten te werken, en dat een klaslokaal een makkelijk organiseerbare eenheid is. Terwijl leren volgens Drummen om hele andere dingen gaat, zoals samenwerken en het volgen van de eigen interesses.

Kinderen leren volgens Drummen in vier omgevingen: thuis, op straat, op school en virtueel. ‘Wij willen dat er geen grenzen bestaan tussen die vier milieus’, zegt Drummen. ‘We laten kinderen daarom zelf hun leeromgeving bouwen. De eersteklassers die binnenkomen krijgen een lege ruimte, daar mogen ze van maken wat ze willen. De kinderen beschouwen deze school daarom niet meer als een repressief instituut, maar als een plek van zichzelf.’

Barlaeus Gymnasium

Een voorbeeld van een school in een traditionele setting die de oude klaslokalen toch handig benut is het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam. Mediathecaris Roeland Smeets legt uit: “De school heeft verschillende ruimtes die ieder uur anders ingezet kunnen worden: als stilteruimte, als pc ruimte, als opvang voor een lawaaierig lerend groepje, et cetera. En de verschillende ruimtes kunnen soms één ruimte worden in geval van bijvoorbeeld examens en ontvangsten. We zitten, net als de meeste scholen in Nederland, krap in hun gebouw maar hebben dit opgelost met een mediatheek die ervoor zorgt dat allerlei extra activiteiten toch mogelijk zijn.”

Wat kun je zelf doen?

Als ouder, leerkracht of school is het niet altijd mogelijk om voor een alternatieve opzet van klaslokalen te kiezen. Maar je kunt wel bewuster omgaan met wat je naast de bestaande situatie zet. Ondernemersvaardigheden bijvoorbeeld, leer je niet of nauwelijks in een klaslokaal. Maar als ondernemer kun je je kinderen wel een goede leeromgeving bieden.

Ondernemer Dave Hanley heeft al zijn vier kinderen aandelen gegeven in zijn bedrijf. Hij leert ze al vanaf jonge leeftijd dat de bedrijven die zij als familie oprichten en financieren banen creëren voor mensen. Dit is wat hij zegt over de lessen die zijn kinderen leren: “Ze leren dat het hard werken is om lonen uit te kunnen betalen, want werknemers worden altijd eerst uitbetaald. Mensen zeggen wel eens hun baan op, wat niet altijd makkelijk is om te accepteren, maar je leert om het niet persoonlijk op te nemen aangezien ook zij datgene proberen te doen wat het beste is voor henzelf en hun gezinnen. Papa moet soms mensen ontslaan, en dat is moeilijk voor beide partijen, maar soms moet het gewoon. Klanten betalen soms niet – en ook dat doet pijn. Als gezin wagen we soms een grote gok – tot op het niveau dat we onze laatste centen uitgeven aan onze bedrijven om groei te financieren of om uitdagingen te boven te komen. Deze risico’s zijn het nu en dan waard om genomen te worden. En voor elke dollar die we als gezin uitgeven moet papa er $ 2,50 verdienen en moeten zijn bedrijven er $12 voor verdienen. Als je hebt ervaren dat je de familievakantie moest cancelen om de werknemers te kunnen uitbetalen, een buurman hebt moeten ontslaan die niet voldoende functioneerde en met elkaar hebt gebeden dat klant X binnen de termijn gaat betalen, begin je te begrijpen waar je dagelijkse maaltijd vandaan komt op een manier waar de meeste mensen in de moderne wereld niets van snappen.”

Tot slot

Bij het onderzoeken en beantwoorden van de #onderwijsvragen is de input van lezers, luisteraars en anderen van doorslaggevend belang. De antwoorden op deze #onderwijsvraag zijn tot stand gekomen dankzij input, inzichten en bijdragen van onder andere Elena Battistuzzi (œ), Tijs van Ruiten en Jacques Dane (Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht), Elleke Bal (journalist), Roeland Smeets (mediathecaris Barlaeus Gymnasium), Maarten Ebbing (directeur primair onderwijs) en vele anderen die via Twitter hun bijdragen met Claire deelden.

Heb je nog aanvullingen, inzichten of (vooral) wetenschappelijk onderzoek of harde data die bovenstaande argumenten verder onderbouwen of juist verwerpen? Laat het ons weten!

Wil je helpen met de beantwoording van de vragen van de komende weken? Graag! Dat kan via dit formulier. Heb je zelf een onderwijsvraag of wil je mee discussiëren over de onderwijsvragen? Gebruik de hashtags #onderwijsvraag of #onderwijsvragen op sociale media!

Meer informatie over ons project #onderwijsvragen, en onderzoek naar eerdere vragen, vind je op deze pagina.

Geen reactie's

Geef een reactie